Gedragscodes als ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’ en ‘ik spring alleen uit de band tijdens mijn vrijgezellenfeest, want ik heb een Hawaii-slinger om’ lijken al eeuwen met onze Hollandse cultuur verweven. Deze codes zie je ook terug in het voedingspatroon. Vooral zo’n eeuw geleden was eten puur bedoelt als vulling. Dus mocht je binnenkort iemand horen klagen over onze saaie eetcultuur, denk dan maar: we komen van ver. 

Vroeger bestond een groot deel van de maaltijden uit pap of brij. Brij mocht als ontbijt, ’s middags bij grauwe erwten en gepekelde vis, of ’s avonds met wat vleesnat. Zure karnemelkse brij met paardenbonen was in Groningen favoriet. Lekker en voedzaam. Nou ja, ‘lekker’ was van ondergeschikt belang. Het moest vullen. In je maag staan.

Nog iets in de melk te brokkelen?

De pap of brij maakte moeders daarom zo dik mogelijk. Suiker of zout was duur, dus dat ontbrak meestal. Klontjes waren onvermijdelijk en werden zelfs expres toegevoegd. In Drenthe deden boeren uitgedroogde blokjes boekweitpap van de vorige avond ’s morgens door de melk. Zo ontstond de warme klontjesmelk. Tegen het schiften van de melk werd doorgaans niks ondernomen. ‘Da hoorde d’r bie’.

Niet alleen in Nederland was stevige brij populair, ook in Zweden lustten ze er wel pap van. Daar was de brij zo dik, dat je het in je hand kon houden. Vuistenpap, noemden ze dat.

De papvarianten verdwenen tijdelijk van het menu zodra de jaarlijkse huisslacht had plaatsgevonden. Restproducten van het varken waren zonde om weg te gooien en konden niet lang bewaard worden. De bloedworst moest daarom als eerste op. Een ander woord voor bloedworst was bloedbrood of bloedkoek. Ook balkenbrij was bederfelijk, dus dat at je vervolgens ’s ochtend, ’s middags en ’s avonds. Gewoon, tot de koek op was. Of tot je geen pap meer kon zeggen. Geen gezeur.